Toelichting Eilandsverordening Natuurbeheer Bonaire

Nature

Toelichting Eilandsverordening Natuurbeheer Bonaire

wapen_van_bonaire_1_11648
Bonaire Law

Download document

EILANDSRAAD VAN HET EILANDGEBIED BONAIRE
Eilandsverordening inzake de bescherming en beheer van de natuur en de daarin voorkomende dier- en plantensoorten, tot wijziging van de Verordening marien milieu (A.B. 1991, no. 8), tot intrekking van de Natuurbeschermings- en monumentenverordening 1967 (A.B. 1967, no. 7) en tot intrekking van de Verordening schadelijke planten (A.B. 1991, no. 25) (Eilandsverordening natuurbeheer Bonaire)

2008, MEMORIE VAN TOELICHTING, No. 3

DE EILANDSRAAD VAN HET EILANDGEBIED BONAIRE;

1. Algemene toelichting

Door middel van de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en -bescherming (P.B. 1998, no. 49) wordt op landsniveau voorzien in integrale wetgeving op het gebied van het beheer van de natuur en de bescherming van de fauna en flora. Tevens worden een aantal verdragen, waarbij de Nederlandse Antillen partij wensen te zijn of reeds zijn, geïmplementeerd in de landsverordening. Dit betreffen de in artikel 1, eerste lid van de landsverordening en artikel 1, eerste lid van dit ontwerp vermelde verdragen.

De landsverordening reikt een algemeen kader aan voor het beheer en de bescherming van de natuur. De verdere ontwikkeling van het natuurbeleid alsmede de concrete juridische vormgeving en de uitvoering ervan in de praktijk zijn primair een eilandelijke aangelegenheid. In de eerder genoemde landsverordening wordt de eilandsbesturen gevraagd om ter uitvoering van de bovengenoemde verdragen natuurparken in te stellen en om zorg te dragen voor de bescherming en het beheer van de soorten die in de bijlagen van die verdragen vermeld zijn. De beleidsvoornemens terzake heeft het eilandgebied Bonaire vastgelegd in het Natuurbeleidsplan Bonaire 1999 – 2004.

De onderhavige ontwerp-eilandsverordening strekt ertoe om voor het eilandgebied Bonaire de hiertoe benodigde regelgeving vast te stellen. De eilandsverordening heeft echter een grotere reikwijdte dan louter datgene waartoe de verdragen verplichten en waartoe de landsverordening opdracht geeft. Deze eilandsverordening biedt in het algemeen de mogelijkheid om natuurparken in te stellen en beperkt zich niet tot de gebieden die op grond van bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar, het SPAW-Protocol of het Zeeschildpaddenverdrag speciale bescherming behoeven. Voorts gelden de op grond van deze eilandsverordening gegeven verbodsbepalingen niet slechts voor soorten die bescherming genieten krachtens de Bonn-Conventie, het SPAW-Protocol of het Zeeschildpaddenverdrag, maar ook voor de soorten die daartoe bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden aangewezen. Daarmee is sprake van een integraal wettelijk kader voor de bescherming van gebieden en van dier- en plantensoorten op het eilandgebied Bonaire.

Hoofdstuk 5 van de landsverordening bevat een regeling voor het toezicht en de opsporing die ook van toepassing is voor de naleving van door de eilandgebieden ter uitvoering van de landsverordening gestelde voorschriften. Het bestuurscollege dient daartoe de ambtenaren of personen aan te wijzen die met het toezicht en de opsporing in het kader van de op grond van deze eilandsverordening gestelde voorschriften zullen worden belast.

Hoofdstuk 6 van de landsverordening regelt de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang respectievelijk tot het opleggen van een last onder dwangsom. Deze bevoegdheid komt zowel toe aan de Minister van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling als aan het bestuurscollege, voor zover het betreft overtreding van eilandelijke voorschriften ter uitvoering van de landsverordening. Tevens bevat hoofdstuk 6 van de landsverordening de strafmaat voor het handelen in strijd met verboden die op grond van eilandelijke regelgeving worden gegeven. Dit betekent dat handelen in strijd met de bij of krachtens de onderhavige eilandsverordening gegeven verboden kan worden gestraft met hetzij gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hetzij een geldboete van ten hoogste NAF. 1.000.000,–, hetzij met beide straffen. Op deze wijze kunnen veel zwaardere sancties worden opgelegd dan welke op grond van een eilandverordening mogelijk zijn. Voor wat betreft een drietal uitzonderingen wordt verwezen naar de toelichting op artikel 26.

Het ontwerp bevat tevens een overgangsbepaling voor het geval het gebied dat tot nu toe op basis van de Verordening marien milieu (A.B. 1991, no. 8) het onderwaterpark vormt, als natuurpark wordt aangewezen ter uitvoering van deze verordening. De Verordening marien milieu wordt op dat moment ingetrokken. Om te voorkomen dat na in werking treding van de onderhavige verordening twee commissies bestaan die grotendeels dezelfde taken hebben, is in artikel 24 een bepaling tot wijziging van de Verordening marien milieu opgenomen. Eveneens worden ingetrokken de Natuurbeschermings- en monumentenverordening 1967 (A.B. 1967, no. 7) en de Verordening schadelijke planten (A.B. 1991, no. 25).

De beroepsgang wordt geregeld in de Landsverordening administratieve rechtspraak (P.B. 2001, no. 79). Voor wat betreft een tweetal uitzonderingen wordt verwezen naar de toelichting op artikel 21.

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1
Het begrip “belanghebbende” is hier beperkt tot degene die rechtstreeks wordt getroffen in zijn belang door een beschikking of een te nemen beschikking. Met het oog op endemische (onder)soorten is het begrip “inheemse flora en fauna” beperkt tot het grondgebied en de wateren rondom Bonaire. De definities van de verschillende verdragen zijn identiek aan die in de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en -bescherming. De begripsbepalingen van “bestuurscollege”, “eilandsraad” en “inheemse flora en fauna” zijn eveneens ontleend aan de eerder genoemde landsverordening. De definitie van gebruik van een natuurpark geeft aan dat daaronder mede zijn begrepen het enkele zich bevinden in of op het park en het gebruik van de in het park voorkomende voorzieningen, zoals meerboeien.

Het tweede lid bevat de aanwijzing van de plaats waar men desgewenst de geldende teksten van de verdragen en de protocollen en met name ook de bijlagen daarbij kan inzien.

Artikel 2
Dit artikel geeft duidelijkheid aan de grenzen van het gebied waar de verordening van toepassing is. Dit geldt vooral in geval van de bescherming van mariene organismen en van de instelling van mariene parken. Zo is het mogelijk het Bonaire National Marine Park uit te breiden tot de territoriale grens op 24 mijlen uit de kust.

Artikel 3
In dit artikel wordt de Commissie natuurbeheer Bonaire ingesteld. Deze commissie dient het bestuurscollege hetzij op verzoek hetzij op eigen initiatief van advies te dienen inzake de uitvoering van deze eilandsverordening en het natuurbeheer in het algemeen. In enkele artikelen van de eilandsverordening wordt het bestuurscollege verplicht deze commissie te horen. Een van de leden van de eilandelijke commissie wordt tevens benoemd in de landelijke Commissie natuurbeheer en –bescherming. De Commissie natuurbeheer Bonaire neemt de taken over van de Commissie marien milieu.

Artikel 4
Dit artikel geeft nadere regels voor de instelling van een natuurpark door de eilandsraad. Artikel 10, eerste lid, van de landsverordening bevat de opdracht hiervoor. De artikelen 11, 12 en 13 van de landsverordening dragen de eilandsraad op beheersmaatregelen te treffen ter bescherming van de soorten die bescherming genieten krachtens het Zeeschildpaddenverdrag, de Bonn-conventie en het SPAW-Protocol. Deze verdragen verplichten tot bescherming van de habitats van de krachtens de verdragen beschermde soorten. Uitgangspunt moet de instandhouding van het gebied zijn, dan wel de effectiviteit van de beheersmaatregelen. Het begrip natuurpark wordt hier gehanteerd overeenkomstig de indeling van de World Conservation Union (IUCN). In het Natuurbeleidsplan Bonaire 1999-2004 wordt onderscheid gemaakt tussen strikte natuurreservaten, nationale parken, natuurmonumenten, eilandelijke natuurgebieden en beschermde landschappen.

Het tweede lid bepaalt dat binnen een natuurpark zones kunnen worden ingesteld. Zonering maakt het mogelijk om ruimte te bieden aan de verschillende activiteiten die in een natuurpark worden uitgeoefend op een wijze die zo min mogelijk schade doet aan de natuurwaarden van een park.

Bufferzones, die kunnen worden ingesteld op grond van het derde lid, kunnen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat activiteiten worden uitgeoefend buiten de grenzen van het natuurpark die schadelijke gevolgen hebben voor het natuurpark.

Het bestuurscollege is ingevolge het vierde lid verplicht de eilandelijke commissie te horen over het ontwerp voor de instelling van een natuurpark of bufferzone.

Artikelen 5 tot en met 7
In deze artikelen wordt de procedure voor de instelling van een natuurpark en bufferzone beschreven. Gelet op het belang van de instelling voor het eilandgebied en zijn bewoners en gelet op de mogelijke beperkingen aan het gebruik die uit de instelling van een natuurpark kunnen voortvloeien, is voorzien in een procedure waarbij eerst een ieder zijn mening kenbaar kan maken over een ontwerp voor de instelling van een natuurpark. Dit geschiedt mede aan de hand van een openbare hoorzitting. In het derde lid van artikel 6 is dan ook bepaald dat een ieder bedenkingen kan indienen bij de eilandsraad bij het ontwerp voor de instelling van het park of bufferzone. Deze artikelen blijven overigens buiten toepassing indien het gebied dat op grond van de Verordening marien milieu (A.B. 1991, no. 8) het onderwaterpark vormt, wordt aangewezen als natuurpark.

Artikel 8
Dit artikel vormt het juridische kader voor het beheer van een natuurpark. Gelet op de bestuurlijke verantwoordelijkheid berust het beheer in beginsel bij het bestuurscollege. Het bestuurscollege kan echter een derde met dit beheer belasten.

Het tweede lid verplicht tot het opstellen van een beheersplan. Een beheersplan geeft een meer uitgebreide beschrijving van de wijze waarop het natuurpark beheerd zal worden. Hieronder worden tevens begrepen activiteiten als onderzoek, handhaving, educatie en voorlichting. Voor zover van toepassing zal het beheersplan worden vastgesteld in overleg met eigenaren en anderen die rechten kunnen doen gelden op het natuurpark of delen daarvan.

Op grond van het derde lid dienen voor een natuurpark beheersmaatregelen te worden vastgesteld. Deze beheersmaatregelen dienen in elk geval bepalingen te bevatten ter bescherming van de habitats van soorten die bescherming genieten krachtens het Zeeschildpaddenverdrag, de Bonn-conventie en het SPAW-Protocol. Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 11, 12 en 13 van de landsverordening. Voorts dienen de beheersmaatregelen specifieke voorschriften te bevatten over de toegang tot het park, het overige gebruik van het park en het verrichten van handelingen binnen het natuurpark. De beheersmaatregelen kunnen evenwel ook betrekking hebben op de veiligheid en handhaving. Handelen in strijd met beheersmaatregelen die vastgesteld zijn op grond van artikel 8, derde lid, is ingevolge artikel 10 zonder vergunning verboden.

Het vierde lid biedt de mogelijkheid tot het vaststellen van beheersmaatregelen voor bufferzones, die zijn ingesteld op grond van het derde lid van artikel 4, voorzover dit noodzakelijk is ter voorkoming van schade aan of ontsiering van het natuurpark. Handelen in strijd met de beheersmaatregelen voor bufferzones is eveneens ingevolge artikel 10 zonder vergunning verboden.

Artikel 9
Artikel 9 biedt de mogelijkheid om heffingen op te leggen aan gebruikers van de parken of aan bedrijven en personen die bij dit gebruik betrokken zijn. De opbrengsten van de heffingen worden ter beschikking gesteld aan de beheerder van het natuurpark en zijn bestemd om de kosten van het beheer van een natuurpark te dekken. Onder kosten van beheer worden tevens verstaan kosten voor onderzoek, handhaving, educatie en voorlichting. Opgemerkt dient te worden dat het tweede lid dusdanig is geformuleerd dat het mogelijk is dat een beheerder die meerdere natuurparken in beheer heeft, de geïnde heffingen in het ene natuurpark aanwendt voor het beheer van een ander natuurpark.

Het bestuurscollege kan besluiten de heffingen te laten innen door de beheerder of door een derde namens de beheerder. Over het beheer van het natuurpark en besteding van de geldingen dient de beheerder ingevolge het vierde lid jaarlijks verantwoording af te leggen.

Artikel 10
Het eerste lid van dit artikel bevat algemene verbodsbepalingen met betrekking tot het natuurpark.

Het eerste lid, onderdeel a, verbiedt het om zonder vergunning handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor de natuur of de natuurwaarden van een natuurpark of die een natuurpark ontsieren. Het tweede lid bepaalt welke handelingen in elk geval als schadelijke handelingen beschouwd kunnen worden. Dit betreft handelingen die de wezenlijke kenmerken van het natuurpark kunnen aantasten en handelingen die strijdig zijn met de beheersmaatregelen of het beheersplan voor het natuurpark.

Opgemerkt dient te worden dat het eerste lid, onderdeel a, dusdanig is geformuleerd dat ook handelingen die verricht worden buiten het natuurpark vergunningplichtig kunnen zijn.

Het eerste lid, onderdeel b, verbiedt het om zonder vergunning handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die strijdig zijn met de regels, bedoeld in het vierde lid. Op grond van het vierde lid kunnen regels worden gesteld voor handelingen in het natuurpark die niet schadelijk zijn voor de natuur, maar die wel gewenst zijn uit het oogpunt van een effectieve handhaving van de eilandsverordening of met het oog op verwezenlijking van de doelstellingen van de eilandsverordening. Indien een natuurpark water bevat, dan kan het ter bescherming van de natuurwaarden bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om het vissen met bepaalde middelen te verbieden. Gelet op een effectieve handhaving kan het echter gewenst zijn om niet alleen het vissen met dergelijke middelen te verbieden, maar ook het bezit van de middelen in het natuurpark. Het vierde lid van artikel 10 kan voor dergelijke regels een basis bieden.

Het derde lid bepaalt dat geen vergunning nodig is voor handelingen die voorzien zijn in een beheersplan als bedoeld in artikel 8, tweede lid.

Het vijfde lid geeft de eilandsraad de bevoegdheid om bij eilandsverordening handelingen als bedoeld in het eerste lid aan te wijzen en te bepalen dat het bestuurscollege deze handelingen niet kan toestaan door middel van verlening van een vergunning. Dit vormt derhalve een basis om handelingen te verbieden, waarvoor geen vergunning verleend kan worden.

Artikel 11
Op grond van het eerste lid wordt een aantal dier- en plantensoorten aangewezen als beschermde soort. Het betreft soorten die vermeld zijn op bepaalde bijlagen van het CITES- Verdrag, de Bonn-Conventie, het SPAW-Protocol en het Zeeschildpaddenverdrag. Door deze soorten aan te merken als beschermde soort worden voor deze soorten de verbodsbepalingen, bedoeld in de artikelen 12 en 13, van toepassing. Voor wat betreft de soorten die vermeld zijn in bijlage I van de Bonn-Conventie en in bijlage 1 van het Zeeschildpaddenverdrag wordt hiermee uitvoering gegeven aan verplichtingen uit de Bonn-Conventie en het Zeeschildpaddenverdrag. Beide verdragen schrijven voor dat maatregelen moeten worden getroffen om de voornoemde soorten te beschermen.

Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om in aanvulling op het eerste lid andere dier- en plantensoorten die behoren tot de inheemse flora en fauna aan te wijzen als beschermde dier- en plantensoorten.

Het derde lid biedt de grondslag voor het vaststellen van beheersmaatregelen voor alle op het eiland voorkomende dier- en plantensoorten die op grond van het eerste of tweede lid als beschermd zijn aangewezen.

Het bestuurscollege is ingevolge het vierde lid verplicht het advies te vragen van de eilandelijke commissie alvorens een eilandsbesluit als bedoeld in het tweede of derde lid vast te stellen.

Artikelen 12 tot en met 14
De artikelen 12 en 13 bevatten de verbodsbepalingen met betrekking tot de specimens die behoren tot de op grond van artikel 11 aangewezen beschermde dier- en plantensoorten. De verboden zijn ontleend aan de relevante verdragen en protocollen en voorzien in combinatie met de in de landsverordening opgenomen handelsverboden in een sluitend verbodsstelsel. Het gebruik van de term “specimens” impliceert dat de verbodsbepalingen van toepassing zijn op levende en dode dieren en planten alsmede op alle delen van die dieren en planten. In het vierde lid van artikel 13 is een afzonderlijke voorziening getroffen voor de eieren van dieren die tot een beschermde soort behoren.

Een belangrijke bedreiging van inheemse soorten van vooral eilanden is het uitzetten van vreemde soorten. Artikel 14 verbiedt het uitzetten in de natuur van specimens van niet inheemse soorten of genetisch gewijzigde soorten.

Artikel 15
Het eerste lid creëert de mogelijkheid voor het bestuurscollege om ontheffing te verlenen van de artikelen 12 tot en met 14. De eilandelijke commissie adviseert over beslissingen omtrent verlening van een ontheffing.

Het tweede lid beschrijft het toetsingskader voor verlening van een ontheffing van de artikelen 12 en 13. Er kan slechts een ontheffing van deze verbodsbepalingen worden verleend, indien geen bedreiging bestaat voor het voortbestaan van de beschermde soort. Voorts geldt dat er een noodzaak aanwezig moet zijn om de ontheffing te verlenen. De onderdelen a tot en met e geven limitatief aan met het oog op welke belangen ontheffing verleend kan worden.

Het derde lid bevat het toetsingskader voor verlening van een ontheffing van het verbod in artikel 14. Artikel 14 beoogt faunavervalsing te voorkomen. Derhalve kan slechts ontheffing verleend worden als het uitzetten van dieren als bedoeld in artikel 14 geen bedreiging vormt voor de inheemse flora en fauna.

Artikel 16
Het is gewenst een milieu-effect rapportage voor te schrijven voor bepaalde activiteiten, die wegens hun mogelijke ernstige schadelijke gevolgen voor natuur of landschap van het eilandgebied, ook buiten de natuurparken en bufferzones, niet zonder vergunning van het bestuurscollege mogen worden ondernomen. Het eerste lid verplicht het bestuurscollege deze activiteiten bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen.

Het tweede lid verschaft de basis voor nadere voorschriften bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, omtrent de inhoud van het milieu-effectrapport en de procedure die bij de totstandkoming daarvan dient te worden gevolgd.

Het derde lid schrijft voor dat over het in dit artikel bedoelde eilandsbesluit het advies van de eilandelijke commissie wordt ingewonnen.

Artikel 17
De onderhavige eilandsverordening bevat een algemeen kader voor het beheer en de bescherming van de natuur op Bonaire. Het is niet alleen gewenst om regels te stellen over de bescherming van dier- en plantensoorten, maar ook om nadere maatregelen te kunnen treffen ten aanzien van het vangen van en jagen op onbeschermde dieren en het kappen, verwijderen, vernielen, snoeien en rooien van onbeschermde planten. Uit het oogpunt van bescherming van de natuur kunnen dergelijke maatregelen nodig zijn. Het eerste en tweede lid van artikel 17 verschaffen hiertoe een basis. Ingevolge het derde lid kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bestrijding van dieren en planten die schadelijk kunnen zijn voor de van oudsher in het eilandgebied voorkomende dier- en plantensoorten of andere natuurwaarden. Met het oog hierop wordt de bestaande Verordening schadelijke planten (A.B. 1991, no. 25) bij artikel 26 ingetrokken.

Over de in artikel 17 bedoelde eilandsbesluiten dient eveneens het advies van de eilandelijke commissie te worden ingewonnen.

Artikel 18
De gevolgen die aan de instelling van een natuurpark of bufferzone verbonden kunnen zijn, kunnen ingrijpend zijn. Niet uitgesloten is dat hierdoor voor een betrokkene, bijvoorbeeld een zakelijk gerechtigde, schade zal optreden. Analoog aan de vergoedingen die in het kader van de ruimtelijke ordening kunnen worden toegekend in geval van zogenaamde planschade, is in het onderhavige artikel een schadevergoedingsmogelijkheid opgenomen. In de praktijk is gebleken dat er behoefte bestaat om deze mogelijkheid van schadevergoeding te verbinden aan een verjaringstermijn.
Niet alle schade wordt vergoed; het zal moeten gaan om schade die redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van betrokkene behoort te komen.

Tevens is voorzien in de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor het beheer, indien hieraan kosten of lasten zijn verbonden die redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de eigenaar of gebruiker behoren te komen.

Artikelen 19 en 20
Deze artikelen bevatten voorschriften met betrekking tot het verlenen en intrekken van vergunningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, artikel 16, eerste lid en ontheffingen als bedoeld in artikel 15, eerste lid.

Een aanvrager is verplicht alle inlichtingen te verschaffen en bescheiden te overleggen die nodig zijn ter beoordeling van de aanvraag. Het bestuurscollege kan op grond van artikel 18, tweede lid, besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen, indien de verstrekte inlichtingen en bescheiden onvoldoende zijn voor beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Voordat het bestuurscollege hiertoe kan besluiten, dient de aanvrager wel in de gelegenheid zijn gesteld om zijn aanvraag binnen een door het bestuurscollege gestelde termijn aan te vullen. Dit dient een redelijke termijn te zijn.

Als bij de aanvraag voldoende inlichtingen zijn verschaft en bescheiden zijn overgelegd, wordt de aanvraag in beginsel ter inzage gelegd en bestaat de mogelijkheid voor belanghebbenden om bedenkingen in te dienen voordat een beslissing wordt genomen op de aanvraag. Op grond van artikel 19, zesde lid, kan hiervan echter worden afgeweken. Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen categorieën aanvragen worden aangewezen waarop het derde tot en met vijfde lid niet van toepassing is. Om te waarborgen dat derden kennis kunnen nemen van beslissingen op aanvragen, die niet ter inzage zijn gelegd, schrijft artikel 19, achtste lid, voor dat de beslissing op de aanvraag bekend wordt gemaakt in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze in de Nederlandse en Papiamentse taal.

Artikel 21
Omdat de Landsverordening administratieve rechtspraak (A.B. 2001, no. 79) reeds een regeling geeft voor wat betreft de mogelijkheden van bezwaar en beroep, is in de eilands- verordening afgezien van een algemene regeling. Echter voor twee gevallen wordt toch expliciet de mogelijkheid en wijze van beroep geregeld. Namelijk ingeval van de instelling van een natuurpark of bufferzone door de eilandsraad bij eilandsverordening, waarbij tevens wordt beslist op de tegen het ontwerp van de instelling ingediende bezwaarschriften. Als ook in het geval het bestuurscollege en betrokkenen geen overstemming kunnen bereiken over de hoogte van de schade- of onkostenvergoeding genoemd in artikel 18. De reden hiervan is gelegen in het bijzondere karakter van de besluiten en de wijze waarop deze tot stand komen.

Artikel 22
Dit artikel verplicht de houder van een vergunning of ontheffing deze op eerste vordering van een ambtenaar of persoon die belast is met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze eilandsverordening af te geven aan deze ambtenaar of persoon.

Artikel 23
Dit artikel bevat een overgangsregeling in verband met het verbod in artikel 13, derde lid, voor het onder zich hebben van onder toezicht van het bestuurscollege geringde lora’s.

Artikel 24
Bonaire beschikt reeds over een bij eilandsverordening ingesteld natuurpark, namelijk het op grond van de Verordening marien milieu (A.B. 1991, no. 8) beschermde onderwaterpark, waarvan sinds 2001 Klein Bonaire onderdeel uitmaakt. Om te voorkomen dat er tegenstrijdige of elkaar overlappende bepalingen zullen bestaan tussen de onderhavige verordening en de Verordening marien milieu, geeft het bestuurscollege er de voorkeur aan om de Verordening marien milieu op termijn in te trekken. Hetgeen nu geregeld wordt in de Verordening marien milieu (en de daarop gebaseerde eilandsbesluiten houdende algemene maatregelen), zal geregeld gaan worden bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen ter uitvoering van de Eilandsverordening natuurbeheer Bonaire.

De Verordening marien milieu zal echter eerst worden ingetrokken op het moment dat ter uitvoering van de Eilandsverordening natuurbeheer Bonaire het gebied dat op grond van de Verordening marien milieu is aangewezen als onderwaterpark, bij eilandsverordening opnieuw wordt aangewezen als natuurpark.

Bij het aanwijzen van het gebied dat thans het onderwaterpark vormt als natuurpark op grond van de onderhavige verordening, blijven de bepalingen betreffende de procedure buiten toepassing.

Artikel 25
Zowel de onderhavige verordening als de Verordening marien milieu kent een commissie die het bestuurscollege dient te adviseren. Om te voorkomen dat er twee commissies naast elkaar bestaan die grotendeels dezelfde werkzaamheden zouden uitvoeren, is in dit artikel een wijziging van de Verordening marien milieu opgenomen. Als gevolg van deze wijziging wordt de Commissie natuurbeheer Bonaire zoals bedoeld in deze verordening de commissie die het bestuurscollege zal adviseren over de uitvoering van de Verordening marien milieu.

Artikel 26
Reeds in 1967 heeft het eilandgebied Bonaire regelgeving opgesteld ter bescherming van gebieden en monumenten met bijzondere natuurlijke en culturele waarde. Hiertoe bestond destijds behoefte in verband met de bescherming van de flamingopopulatie en de bescherming van het gebied dat nu het Washington- Slagbaaipark vormt. Van deze verordening is nooit gebruik gemaakt onder andere omdat het land de Nederlands Antillen zich op het standpunt stelde dat dit een landsaangelegenheid betrof. Een wijziging van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (P.B. 1998, no. 48) was nodig om klaarheid in de bevoegdheidskwestie te scheppen. Hetgeen men destijds trachtte te regelen met de Natuurbeschermings- en monumentenverordening 1967 (A.B. 1967, no. 7) wordt nu in andere regelgeving geregeld, zoals de Landsverordening grondslagen natuurbeheer- en bescherming (P.B. 1998, no.49) en de Monumentenlandsverordening (P.B. 1985, no. 55). De Natuurbeschermings- en monumentenverordening 1967 is achterhaald en dient derhalve ingetrokken te worden.
De Verordening schadelijke planten (A.B. 1991, no. 25) is overbodig geworden, nu in artikel 17 van de onderhavige verordening is bepaald dat nadere regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de bestrijding van planten en dieren die schadelijk kunnen zijn voor de natuur of de natuurwaarden van het eilandgebied. Derhalve wordt de Verordening schadelijke planten eveneens ingetrokken.

Artikel 27
Doel van dit artikel is de in deze eilandsverordening opgenomen verboden in verband met de strafrechtelijke handhaving nader aan te duiden. Met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van voorschriften die in onderhavige eilandsverordening opgenomen zijn ter uitvoering van de verplichtingen die voor de eilandgebieden voortvloeien uit de landsverordening, is de landsverordening bepalend. De handelingen, bedoeld in het eerste lid, zijn derhalve strafbaar op grond van artikel 33 van de landsverordening. Hetzelfde geldt voor de handelingen bedoeld in het tweede lid. De in het eerste en tweede lid bedoelde handelingen zijn misdrijven voorzover deze opzettelijk zijn begaan.
In het derde lid zijn handelingen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10, vierde lid, 17 en 22 strafbaar gesteld. Deze artikelen bevatten geen voorschriften ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit de landsverordening, zodat de hier bedoelde handelingen apart strafbaar gesteld dienen te worden als overtreding.

Het bestuurscollege van het eilandgebied Bonaire

de gezaghebber,       de secretaris,